
De schat van de General Barker – deel 1
Algemeen9 februari 1781 was een stikdonkere nacht. De maan hield zich verscholen achter een dik opeengepakt wolkendek. Alleen de scherpe bliksemschichten verlichtten de donkere hemel af en toe. De regen kwam met bakken uit de lucht en striemde de huid van eenieder die zich in dit noodweer buiten waagde.
Al de hele week rukte de wind meer dan venijnig aan de veelal opgerolde zeilen van ons taaie retourschip. De grote vlaggen van de Oost-Indische Compagnie, met hun horizontale rode strepen en het kwart linksboven waarin trots onze Britse vlag prijkte, wapperden zich boven in de masten bijkans kapot.
De General Barker was een prachtig schip. In 1778 koos ze voor het eerst het ruime sop. Ze was hoog en statig, had drie ruime dekken en was ruim 137 voet lang. Met 24 kanonnen aan boord hoefden we geen piraat te vrezen, maar van de natuur win je het uiteindelijk nooit.
Kapitein Alexander Todd liet de General Barker voor anker gaan op de rede van Duins, gelegen langs de oostkust van het graafschap Kent, in Engeland. Deze beschutte ankerplaats op zee, vlak bij de kust, was niet onze eindbestemming, want we waren op weg naar Londen. Helaas moesten we bij Duins wachten omdat de loods, die het grote gevaarte veilig door de soms nauwe en onvoorspelbare kanalen van de Theems kon navigeren, weigerde dit te doen zolang het hevig stormde.
Het was een zware reis geweest. Al vrij snel na ons vertrek uit Madras hadden de weergoden zich tegen ons gekeerd, waardoor de General Barker aardige averij had opgelopen: drie van de twaalf ankers waren onderweg verloren gegaan, om nog maar te zwijgen van het aantal kapotte zeilen en touwen dat overboord was geslagen of gewoonweg tot rafels was gerukt. Op de ankerplaats, zo dicht bij het vasteland, waanden we ons eindelijk veilig.
Omdat de loods weigerde met zijn kleine boot op zee te wachten tot de storm ging liggen, stapte kapitein Todd, samen met twee stuurmannen en de bootsman, bij hen aan boord om aan land op zoek te gaan naar vervangende onderdelen.
Ik had ook van boord willen gaan, maar ik – en een heel aantal andere mannen – had het strikte order gekregen om alle kostbaarheden aan boord met ons leven te bewaken.
Hoewel niemand het voor mogelijk hield, verslechterde het noodweer met de dag. De nacht van 12 op 13 februari was het alsof de hel losbrak en twee naburige schepen raakten op drift.
Na dagen in het donkere ruim te hebben doorgebracht, werd het verlangen naar een goede maaltijd me te veel. Hoewel we tijdens de reis in overdaad hadden geleefd, snakten we naar een voedzame maaltijd met bloeddoorlopen vlees en vers brood.
Doordat we voor anker lagen, werden die lusten door alle klappen en schokken die ons doorlopend door elkaar schudden nog eens extra aangemoedigd. Uiteindelijk werden we door ongeduld gegrepen. Een paar kornuiten en ikzelf verlieten onze post en besloten aan dek te polsen waar de kapitein en de loods bleven.
Aan dek kon ik mezelf amper staande houden. Mijn kleding was al na een paar stappen doorweekt. De wind rukte aan me en door de hevige deining werd ik bij iedere stap uit balans gebracht. Als een dronkenlap zwalkte ik met mijn drie kameraden over het dek. Ik schuifelde zo vlug ik kon naar de railing. De regen was zo ongenadig fel dat ik mijn ogen tot spleetjes kneep om in het stormachtige geweld ook maar iets te ontwaren, maar toen zag ik het! Volkomen verbijsterd en ontzet stond kapitein Todd op het strand, zijn handen woedend in de lucht geheven. Ik voelde me betrapt en rechtte mijn rug om onze aanwezigheid op het dek te verdedigen, toen Todd naar ons begon te schreeuwen. Onverstaanbare kreten, daar de wind zijn woorden uiteen blies. Het waren geen kreten van venijn, zoveel zag ik aan zijn houding. Zijn geheven handen waren niet tot vuisten gebald, maar drukten vertwijfeling uit, terwijl hij met gestrekte vingers naar de hemel reikte. Daar stond een verslagen man, die de wanhoop nabij was. Wat had dat te betekenen? Pas toen zag ik dat de afstand tussen ons steeds groter en groter begon te worden.
Goede God, we waren losgeslagen! In rap tempo dreven we steeds verder weg van onze ankerplaats, de volle zee op. Meer dan eens dacht ik dat we zouden kapseizen. Met iedere golfslag kraakte en kreunde het schip oorverdovend. We waren aan God en ons lot overgelaten.
Goddank was de eerste stuurman nog aan boord. Ian Stevenson, normaal gesproken een brok chagrijn die zijn neus ophaalde voor een matroos als ik, droeg ineens de verantwoordelijkheid voor de honderdtwintig zielen die zich nog op het schip bevonden. Hierdoor waren we op elkaar aangewezen, want zonder hem was er geen enkele hoop meer. Het eerste wat hij ons liet doen, was het ondersteboven hangen van alle vlaggen, zodat het voor de hele wereld duidelijk was dat we niet voor ons plezier met dit weer op zee vertoefden. We maakten ons nog niet zoveel zorgen. We voeren met een van de belangrijkste schepen van de vloot, zo niet hét belangrijkste, en wetende wat we vervoerden, zou de Oost-Indische Compagnie er alles aan gelegen zijn om ons, maar vooral het schip, te behouden.
Die nacht werden we voorbij de Engelse kust geblazen. Door de striemende regen konden we niet ver kijken. Even had ik nog de hoop dat we Haarwijk konden bereiken, maar hoewel we verdraaid dichtbij kwamen, gleed die haven toch aan ons voorbij. Driemaal vuurden we een kanonsalvo af, om onze noodsituatie aan te geven, maar ik vroeg me af of het geluid ervan boven het orkaangeweld uit op de wal te horen was; we konden elkaar niet eens verstaan. Als ze ons al gehoord hadden, dan was niemand zo gek om zich in dit noodweer buitengaats te wagen. Daarna joeg die verduivelde wind ons steeds verder de zee op.
De daaropvolgende dag speelde de storm met ons. Je bovendeks bevinden was levensgevaarlijk, niet alleen doordat het doorweekte hout gladder was dan ijs, maar je kon even gemakkelijk over de reling worden gesmeten door een van de huizenhoge golven die geregeld het dek overspoelden. En toch ontkwam een aantal mannen er niet aan. We dreven af naar het noordoosten, richting Holland, en we vreesden de Bruine Bank. Als we daar zouden vastlopen, zo ver van het vasteland, dan was alle hoop verloren. Daarom probeerden we continu onze locatie te bepalen en zo dicht mogelijk bij de kust te komen, welke kust dan ook.
Onze tweede nacht op zee kregen we de indruk dat de wind iets was gaan liggen. Het bleef hard regenen, maar dat afschuwelijke onweer verdween. Zonder al te veel ellende kwamen we de nacht door, niet wetende dat deze nacht letterlijk de stilte voor de storm was geweest.
De volgende ochtend nam de wind opnieuw steeds verder toe. Het zicht bleef uiterst belabberd vanwege de aanhoudende, felle regen.
Stevenson was zich er volledig van bewust dat hij onze levens in zijn handen droeg. Ik denk dat hij het roer daarom niet wilde overgeven. Maar tegen uitputting is niemand opgewassen en halverwege de dag stortte hij in. Eén harde windvlaag bracht hem uit zijn evenwicht, waarna een flinke golf hem genadeloos tegen de reling smeet. Zijn rug brak, maar ook zijn veiligheidstouw. De volgende golf nam hem mee de diepte in. Stevenson was in een oogwenk verdwenen, maar veel tijd om erbij stil te staan, hadden we niet. Het roer moest worden overgenomen en daarvoor trommelden we Forster op, onze vierde stuurman. Hij was niet alleen minder ervaren dan Stevenson, maar tevens onze laatste hoop. Na hem waren er geen andere mannen meer aan boord die wisten hoe ze een schip moesten besturen. Het werd hoog tijd dat we land in zicht kregen.
Die nacht was de slechtste die we tot dan toe hadden meegemaakt. Felle bliksemschichten en oorverdovende donderslagen volgden elkaar op. Onvoorstelbaar felle windstoten zorgden ervoor dat het schip herhaaldelijk bijna kapseisde, ondanks dat we geen zeilen voerden.
De bliksem sloeg met een luide knal in de grote mast, die afbrak en in zee belandde. Het doorweekte hout van de achtergebleven restanten vatte gelukkig amper vlam en de weinige vlammen die er waren, doofden snel in de regen. Niet veel later brak onze bezaansmast als een zwavelstokje doormidden, belandde met luid gekraak op de reling van de achtersteven en versplinterde die. De top hing half in het water en liet ons gevaarlijk overhellen. Met touwen en gereedschap probeerden we de mast overboord te krijgen, maar voordat dit lukte, wisten de enorme golven die nacht nog twee man mee te sleuren. We waren doorweekt en de kou drong tot diep in onze lichamen door. Volkomen uitgeput vielen we die nacht in slaap.
De volgende ochtend was de zee iets gekalmeerd. De regen leek milder en de wind was wat gaan liggen, maar nu bevonden we ons in een hardnekkige mist. We konden geen hand voor ogen zien. We hadden zo aan de kust voorbij kunnen varen zonder deze ooit te zien, laat staan dat onze bondgenoten ons zouden opmerken. We realiseerden ons dat onze kansen met het uur kleiner werden en hoewel God ons tot die tijd in leven had gehouden, weigerde Hij ook maar iets meer te doen dan dat.
We waren tot op het bot verkleumd, maar toch probeerden we zo goed als we konden de schade van die nacht te herstellen. Door de storm maakten we water. Het was nog niet verontrustend, maar het mocht zeker niet erger worden.
Die dag voeren we eindelijk weer rond, of deden we iets wat daarvoor doorging, nu ook het roer ontzet was geraakt. Het werkte nog wel, maar haperde en kon ieder moment vastlopen. Forster navigeerde zo goed en zo kwaad als dat ging met het zwaar beschadigde schip. Voor het eerst konden we weer wat zeil voeren, op de enige mast die we nog hadden. We wilden zo snel mogelijk terug naar Engeland, maar wat we eerder aan te veel wind hadden gehad, kregen we nu te weinig.
De mensen aan boord waren bang. De vijftien Franse krijgsgevangenen onder in het ruim kermden aan een stuk door, maar die waren dan ook niets gewend. Een aantal bakszeunen en lichtmatrozen probeerde het traag stijgende waterniveau in het ruim een halt toe te roepen, maar het water kwam sneller naar binnen dan ze met de voorhanden zijnde emmers en teilen konden afvoeren. Toen de avond viel, begonnen enkele matrozen te drinken. Om onze ellende te vergeten, sloot ik me bij hen aan.
Vrijdagochtend 16 februari gebeurde het ongelooflijke: bij zonsopkomst riep iemand dat er land in zicht was! Ik vermoedde dat het Holland moest zijn. Geen moment te vroeg, aangezien de wind weer begon op te steken en de hemel voor de zoveelste keer die week donkergrijs kleurde. Ik had gehoopt dat we inmiddels al door een ander Compagnieschip opgepikt zouden zijn, maar helaas. Op zee zouden we het niet veel langer uithouden in ons gehavende schip. We moesten vandaag nog van boord.
Hoewel het beschadigde roer bij vlagen nog een beetje leek te werken, was de stroming ons slecht gezind. Daardoor blies die vervloekte wind ons aan lagerwal en hoewel we vochten als leeuwen om weer op volle zee te komen, dreven we steeds weer terug naar de kust, die door alle zandbanken levensgevaarlijk was. Onze situatie was daardoor nóg uitzichtlozer geworden. We besloten de kanonnen onophoudelijk te vuren. Onze noodschoten brachten de General Barker onder de aandacht van de lokale bevolking, die massaal uitliep en zich op het strand aan ons vergaapte. Zonder ankers aan boord gebeurde rond elf uur die ochtend het onvermijdelijke: het schip draaide en kwam met de spiegel naar het land gekeerd vast te zitten.
Door de klap kraakte en steunde ons schip als een oude dame. Ik schatte in dat we ons op ongeveer anderhalf uur zeil- of roeiafstand van de kust bevonden, maar onze redders moesten wel opschieten, want de golven waren wreed en het zou geen dag meer duren voordat ons wrak aan stukken zou slaan.
Opgelucht voelden we ons allerminst. De General Barker had terug naar Engeland gemoeten. Dat wisten we allemaal. Het was ondenkbaar dat de Oost-Indische Compagnie niet naarstig naar ons op zoek was. Maar hoewel we dagenlang de zee hadden afgespeurd, was er van een aanstaande Britse redding geen enkele blijk geweest. Het was een zuur idee dat, hoewel onze levens konden worden gered, alle schatten die we vervoerden in handen van die vermaledijde Hollanders zouden vallen. En mijn hemel, wat een rijkdom vervoerden wij.
In Madras hadden we heer Thomas Rumbold aan boord genomen. De man was de gewezen gouverneur aldaar en hij wilde met zijn vergaarde fortuin terugkeren naar Engeland. Hoewel hij al in Ierland van boord was gegaan, samen met zijn bedienden en een deel van de kostbare lading, was er nog genoeg aan boord dat naar Londen verscheept moest worden.
Ik had horen fluisteren dat Rumbold maar liefst 77.000 gienjes aan Todd had betaald om zonder andere passagiers mee te mogen varen. Verder vervoerden we de handelsverdiensten van onze reis, te weten twintig kisten geld, een kist met ruwe diamanten en kisten vol goud en goudstaven, alles met een waarde van een slordige acht of negen miljoen gienjes. Astronomische bedragen, en dan heb ik het nog niet eens over de andere goederen die in ons ruim lag. Daar bevonden zich nog eens voor ruim 50.000 gienjes aan salpeter, neteldoeken en zijden stoffen. Bovendien vervoerden we ook nog het een en ander aan wat zo mooi ‘geheime handel’ heet, maar in feite verboden goederen waren. Al was het meeste daarvan, diverse soorten katoen, ongetwijfeld door het zoute zeewater aangetast.
Het zag er beroerd uit voor de General Barker en haar schatten. We maakten steeds sneller water.
Je zou zeggen dat er wel vaker een schip voor de kust verging, maar de lokale bevolking blonk niet uit in daadkracht. Ik tuurde door mijn monoculair naar de kust, maar daar zag ik niemand iets doen om ons te bereiken en dat terwijl hun vloedlijn vol kleine bootjes lag. Ons wrakkige schip begon inmiddels aardig over te hellen, waardoor er steeds meer mensen in paniek raakten. Zelf begon ik hem onderhand ook aardig te knijpen. We hadden niet drie dagen en vier nachten in barre omstandigheden overleefd om hier vlak voor de kust van een of ander inteeltgat alsnog te verzuipen. Waarom ondernamen die mensen geen actie?
Iemand liep met de valreep voorbij, in de hoop dat de houten treden aan het touw genoeg drijfvermogen hadden. Anderen kwamen met stukken mast aan of rukten losgeraakte planken uit de vloer en sprongen daarmee overboord. Ikzelf wilde ook niet langer wachten. Maar ik had iets nodig om me aan vast te houden. Afgezien van het feit dat ik niet bijzonder goed kon zwemmen, was de zee te wild en de afstand te groot. Bovendien was ik doodmoe. Daarom leek het houten kippenhok me prima geschikt. Misschien kon ik erin kruipen, als een soort klein bootje en zo mijn laatste krachten sparen. Ik joeg de laatste kippen eruit, smeet het hok overboord en sprong erachteraan. De ijskoude zee prikte als naalden in me. Met wat moeite wist ik mezelf in het hokje te wurmen. Ik begon te roeien als een bezetene met een stuk wrakhout.
Volgende week deel 2 en slot van ‘De schat van de General Barker’.

















