
Familieman Jaap Guijt blaast honderd kaarsjes uit
AlgemeenHet is een gezellige drukte bij aankomst in Salem aan de Waterboslaan. Er wordt koffie geschonken, het lijkt wel een receptie. De jarige eeuweling is gauw gevonden. Jaap Guijt zit aan het hoofd van de tafel met zijn gezin om zich heen, lachend en pratend. Na het feliciteren ga ik snel zitten op de nog lege plek naast hem.
Door Piet Rovers
Jaap Guijt heeft altijd in Katwijk gewoond, nooit buiten het dorp, maar woont al dertien jaar in Salem en is meeverhuisd naar Rijnsburg.
Zijn wieg stond op 24 december 1924 in de Paul Krugerstraat. Zijn vader was visserman, maar is in 1924 naar de koopvaardij gegaan.
‘Toen heeft hij tien jaar op Indië gevaren, totdat hij ziek werd in de Rode Zee in 1935. Hij is thuisgekomen met longontsteking en pleuritis, zonder dat hij zich ziek had gemeld. Anderhalf jaar is mijn vader ziek geweest. Hij kreeg geen uitkering, dat was in die tijd zo. De oudste zoon verdiende een paar gulden, zodat het gezin met vijf kinderen draaiende bleef. Dat is nu gelukkig anders.’ Toen hij beter was, hadden ze hem niet meer nodig. ‘Het was toen crisistijd’, gaat de jarige verder. ‘Gelukkig kon hij bij het kanaal werken, bij de netten en de vis.’ Jaap is timmerman geworden. Het varen moest hij voor het ‘lest’ (laatst, red.) houden, zei zijn vader.
Bunkers bouwen
Toen de oorlog begon, was Jaap zeventien jaar en werkte voor Verloop in de Elleboogsteeg. Hij kreeg een oproep om voor de Duitse bezetter te werken in Frankfurt am Mein. ‘Doordat ik een ongeluk gehad had aan mijn been, was ik afgekeurd en hoefde ik niet naar Duitsland. Maar ik moest wel voor de Wehrmacht werken aan de bunkers. We hadden weinig te eten in die tijd. In de rij staan voor de soep uit de gaarkeuken, die naarmate de oorlog duurde alleen maar wateriger werd’, herinnert Jaap zich levendig.
Bewaarschool
Jaap heeft op vierjarige leeftijd op de Juliana bewaarschool (kleuterschool) gezeten. ‘Daar hadden we allemaal een tuintje en daar teelden we radijs op.’
Daarna volgde de lagere school. ‘Ik wilde graag doorleren en heb toen de avondtekenschool gevolgd tijdens de winteravonden, dit heb ik vijf jaar gedaan, in het oude gasthuis op de Voorstraat. Daarna de MTS in Leiden. Tot mijn dertigste heb ik getimmerd voor een aannemer en toen ben ik voor mijzelf een timmerbedrijf begonnen, en werkte voor Ouwehand Bouw en KBM. De laatste klus was op de Kleipetten en daar hebben we voor 71 huizen het timmerwerk gedaan. Door rugklachten moest ik stoppen en hebben mijn zoon en schoonzoon het bedrijf voortgezet. Het bedrijf bestaat niet meer. Mijn zoon is 75 jaar en op zijn verjaardag zijn we samen op de foto geweest. Een 100-jarige en een 75-jarige, dat is toch een geweldige belevenis!’
73 jaar huwelijk
Jaap heeft zijn vrouw Hendrika ontmoet op de ‘huwelijksmarkt’ die wegens de oorlog ‘verplaatst’ was naar de Nieuwe Duinweg. Na vier jaar werd er getrouwd. Samen met zijn vrouw, die drie jaar geleden op 94-jarige leeftijd is overleden, hebben ze zeven kinderen gekregen. ‘We zijn 73 jaar getrouwd geweest, hebben 43 kleinkinderen en 70 achterkleinkinderen gekregen’, zegt Jaap trots.
Dan komt de locoburgemeester Mostert binnen. Hij heeft toepasselijk een Stikkezak met wat lekkers meegenomen.
Jaap is niet eenzaam, hij krijgt regelmatig bezoek. En hij kijkt uit over de Oude Rijn, die naar zijn geliefde Katwijk stroomt. ‘Aan de overkant zijn ze aan het bouwen maar dat schiet niet op’, zegt hij. De locoburgermeester schiet in de lach: ‘Ik dacht, ik heb vakantie…maar u heeft helemaal gelijk!’ Waarop de lachsalvo’s over de tafel gaan. Het is een gezellige verjaardag. Jaap ziet niet op tegen de toekomst, besluit hij, omdat hij op Gods belofte vertrouwd.


















