Goed doel
Een erflater heeft zijn gehele vermogen nagelaten aan Stichting X ‘of diens rechtsopvolger’. Voorts heeft hij 10 procent van de saldi van zijn bankrekeningen gelegateerd aan zijn achterneef. In het testament is de kandidaat notaris als executeur aangewezen.
Kort voor het overlijden van erflater heeft Stichting X zijn activiteiten gestaakt; de stichting is ontbonden en het vermogen en de activiteiten van de stichting zijn overgedragen aan Stichting Y. Behalve de achterneef waren er nog nakomelingen van de broer en de zus van erflater en dus neven en nichten. Zij stellen nu dat Stichting Y strikt genomen geen rechtsopvolger is van stichting X en dus de nalatenschap van hun oom aan de neven en nichten toekomt. Uiteraard komt Stichting Y hiertegen in het verweer. Immers zij beschouwen zichzelf terdege als de opvolger van Stichting X.
Hier moet de rechter aan te pas komen. Deze stelt, dat
‘De rechtbank achtte de vordering van Stichting Y wél toewijsbaar op de subsidiaire grondslag (artikel 4:47 BW). Hiertoe overwoog de rechtbank onder meer dat uit het testament van erflater valt af te leiden dat hij, indien hij op de hoogte zou zijn geweest van de ontbinding van de Stichting X, zijn testament zou hebben gewijzigd in die zin dat hij de Stichting Y zou hebben benoemd tot enig erfgenaam.’
De rechtbank heeft in het dictum van het eindvonnis voor recht verklaard. Hiertegen zijn de neven en nichten in hoger beroep gegaan.
Naar het oordeel van het hof moet uit het testament van erflater worden afgeleid dat hij zijn vermogen wilde nalaten aan een “goed doel” en niet aan zijn neven en nichten met wie hij tijdens zijn leven geen of nauwelijks contact had, dit met uitzondering van een legaat aan een achterneef die hem als mantelzorger heeft ondersteund.
Hier loopt het goed af voor Stichting Y (en niet voor de neven en nichten…). Maar het is dus erg belangrijk om de bepalingen in een testament duidelijk te omschrijven en ook af en toe te checken. Gelukkig lezen rechters ook tussen de regels door.