Afbeelding
Foto: pr

‘Viswijf’ als muze

‘Haar ogen zijn onze blikvangers. Ze kijkt langs ons heen. De wenkbrauwen, de groeven, de mondhoeken zijn bijna aan te raken, haar ogen staan dat niet toe.’


Het Genootschap Oud Katwijk ontving op 31 januari 2026 deze nieuwe aanwinst uit handen van de nabestaanden van de kunstenaar. Het kan geen betere ontvangst krijgen dan in de tentoonstelling ‘De muze van…’ in het Katwijks Museum van 7 juni – 4 oktober 2026.


Door Ton Hetebrij

Jaap Wagemaker (1906-1972) wordt geboren in Haarlem. Zijn grote belangstelling voor tekenen brengt hem op zijn 14e naar de school voor Bouwkunde, Versierende kunsten en Kunstambachten. Hij bouwt hier een grondige kennis op van talloze materialen.


Wagemaker schildert vanuit zijn gevoel met felle onnatuurlijk kleuren, in een plat vlak, weinig of geen perspectief, grof, vaak met vervormingen. Zijn grote voorbeeld is de Belgische expressionist Constant Permeke. 


Rond 1930 woont Wagemaker enige tijd in Parijs. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verblijft hij in Nederland. Hij weigert lid te worden van de door de Duitsers ingestelde Kultuurkamer. 

Na de oorlog komt hij, opnieuw in Parijs, in contact met de CoBrA groep van Appel en Corneille. Hij schildert enige tijd in hun kleurrijke stijl.

Vanaf het begin van de jaren ’50 gaat Wagemaker in zijn schilderijen experimenteren met andere materialen. Jutelappen, gips, stukken hout en schelpen gaan deel uit maken van zijn composities. 


In 1957 en 1967 exposeert hij in het Stedelijk Museum in Amsterdam en in 1965 in het Haags Gemeentemuseum, nu Kunstmuseum Den Haag. In 1961 organiseert het Museum of Modern Art in New York de tentoonstelling ’The Art of Assemblage’ met onder andere werk van Jaap Wagemaker en er wordt werk van hem aangekocht. 

De nieuwe aanwinst van het Katwijks Museum lijkt zonder details in grote en kleine vlakken verdeeld: de achtergrond , het jak, de muts en het strakgetrokken haar. De twee grote vlakken bepalen de eerste indruk: de roestbruinrode achtergrond en het groenblauwe jak.


Hoewel van dieptewerking nauwelijks sprake is, heeft de schilder daar toch subtiel iets mee gedaan. Het jak dat even openvalt breekt de halslijn. De witte bandjes van haar muts accentueren de schaduw van haar kin. De randen van de muts geven ronding en diepte aan haar gezicht, versterkt door de naar achteren lopende scherpe scheiding in het strakgetrokken haar. Het is dat verweerde gerimpelde gezicht met het enigszins oplichten van haar borst dat uiteindelijk al onze aandacht opeist.


‘Viswijf’

Wat voor rauwe realiteit wil de schilder hier weergeven? Is het een studie, vergelijkbaar met een 17e-eeuwse tronie? Heeft het door-het-leven-getekende gezicht van deze oude vrouw hem aangesproken? De benaming ‘Viswijf’ kan neutraal zijn, een gewoon woord uit die tijd, maar ook de benaming voor een vrouw, die niet over zich laat lopen en grof van zich af kan bijten. Kijkend naar de uitstraling zou dat laatste wel eens het geval kunnen zijn. Haar samen geknepen lippen - alleen haar onderlip licht enigszins roze op - met de afhangende mondhoeken stralen verbittering en dreiging uit. De grove, grote neus is nadrukkelijk aanwezig. De rimpels erom heen en erboven verfijnen haar gezicht niet bepaald.



Door-het-leven-getekende gezicht



De borstelige wenkbrauwen versterken haar diepliggende ogen, die lijken uit te stralen: ‘Ik heb veel gezien, maar dat gaat jullie niets aan.’

Voor ons, de kijkers, is het de afbeelding van een vrouw waar je niet zomaar aan voorbij loopt. Wellicht is het voor Jaap Wagemaker een inspirerende muze geweest.

Deze kleine geschiedenis overziend mogen we vaststellen dat het Katwijks Museum nu in het bezit is van een vroeg werk van een niet onaanzienlijke kunstenaar.